Tijdens één van die sportavonden daagde mijn onderdirecteur me uit voor een wedstrijdje badminton. Na een tijdje begon ik last te krijgen van ‘blurry vision’ en sloeg ik regelmatig naast het pluimpje. Ik zag die man naar mij kijken met een blik van: “Amai, is dat onze leraar LO?” Het was om door de grond te zakken. Ik voelde me zo rot.
Het jaar daarop ben ik een paar dagen voor de jaarlijkse sportavond naar een bevriende kinesiste gegaan die wel op de hoogte was van mijn MS. Ze heeft toen mijn pink ingetapet, net alsof hij gebroken was. Dus toen ik op school aankwam de dag erna zeiden mijn collega’s weten: “Oh dat is jammer Stef, dan kun je niet meedoen met de sportavond, verdorie toch.”
Toen ik ‘s avonds thuis kwam en in de douche ging met mijn hand uit de douchecabine voor mijn ‘gebroken pink’ dacht ik in mezelf: “Dit moet stoppen, zo kan het niet verder.” Ik heb de tape eraf geknipt, heb naar mijn directeur gebeld of ik de dag nadien mocht langskomen voor een persoonlijk gesprek. Ik heb toen heel mijn verhaal gedaan en hoopte dat ik niet mijn eigen ruiten zou ingooien.
De reatie van mijn directeur? Die was heel warm en begripvol. “Stef, we gaan je als school zo goed mogelijk ondersteunen. We gaan er samen voor zorgen dat je zo lang mogelijk kan blijven lesgeven op onze school.” Ik hoef jullie niet te vertellen wat voor een opluchting dit was. Ik was eindelijk deels bevrijd van die zware MS-rugzak. Daarna heb ik ook mijn collega’s LO ingelicht en dan stap voor stap ook de andere collega’s. Wat ik toen het vaakst te horen kreeg, was: “Stef, we wisten dat er iets niet klopte, maar wat? Waarom heb je dit zolang voor jezelf gehouden? We hadden je al veel sneller kunnen helpen en jou kunnen ondersteunen.”